- grip
- n. greep; begrip; vastpakken; vastgrijpen; handvat--------v. vastpakken; vastgrijpen; begrijpen; innemen; boeien (uit interesse)grip1[ grip] 〈zelfstandig naamwoord〉1 greep ⇒ houvast2 beheersing ⇒ macht, meesterschap; 〈figuurlijk〉 begrip, vat3 greep ⇒ handvat4 klem ⇒ klamp5 〈Amerikaans-Engels〉toneelknecht6 → grippegrippe/♦voorbeelden:1 keep a tight grip on • stevig vasthoudencome/get to grips with someone • met iemand beginnen te vechten2 he has a firm grip on his children • hij heeft zijn kinderen goed in de handcome to grips with a problem • een probleem aanpakken〈informeel〉 keep/take a grip on oneself • zich beheersen, zichzelf in de hand houden————————grip2〈gripped〉I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 pakken 〈van rem e.d.〉 ⇒ grijpen 〈van anker〉II 〈overgankelijk werkwoord〉1 vastpakken ⇒ grijpen, vasthouden; 〈figuurlijk〉 pakken, boeien♦voorbeelden:1 grip someone's attention • iemands aandacht vasthoudena gripping story • een boeiend verhaal
English-Dutch dictionary. 2013.